(uit het archief – mapje 2003)
IV
Goed dan, Rome. Het verschil met elke andere stad in de wereld is dat deze zich per vierkante meter verdeelt. Alleen in Rome loop je vanuit het voormalige huis van de dichter Shelley een drukke winkelstraat in waar twee kilometer lang raam na raam de meest exclusieve artikelen voorbij komen. Kapitalisme met een authentieke grandeur: houte couture, antiek, moderne kunst. Bij Armani een leren riem zonder bijzonderheden die de prijs van 120 euro rechtvaardigen. Bij Valentino dameskleding die ook zonder prijskaartje de lippen opent.
Alleen in Rome kijk je per vierkante meter. Naast de etalage met het schitterde colbert – tot je verwondering betaalbaar – valt het oog in een doorgang met een licht dat vragen oproept. Je komt op een binnenplaats waar in een morsige hoek een zeker hotel Brotzky ligt (piano op de derde etage). Je gaat er voorbij, een winkel naar binnen waar de kleine ruimte is bezaaid met prenten uit achttiende, zeventiende en zestiende eeuw. Je hangt met je neus op de ouderdom van papier terwijl ondertussen de eigenaar in schaamteloze razernij ontsteekt tegen iemand aan de telefoon.
Je loopt terug naar de straat en drie meter verder is er een open gang, van marmer, met sfeervolle verlichting, mysterieus. Je hebt inmiddels al tientallen dezelfde stedelijke inhammen gezien; maar ditmaal loop je naar binnen. Op een intieme binnenplaats ontmoet je twee uniformen die zich meteen naar je toe draaien en over je schouder bij de ingang is inmiddels ook een bewaker naar buiten gekomen. Je wandelt terug langs de bewaker, met de handen op de rug, en weer op het trottoir vijf meter verder (je gaat tellen) kom je bij een zijstraatje waar over de totale lengte een rode loper is uitgerold; je overwint de aanvechting te gaan kijken.
Je bent moe en zoekt rust. Achter een dubbele houten deur zie je licht branden bij Maria op een klein schilderij in de verte. O wat leuk een kerkje denk je, tot je beseft – eenmaal binnen – dat je in een koepelkerk staat waarvan de fresco je zelfs vanuit de halfduisternis naar de keel grijpt. Terzijde van de koepel vijf open kapellen, elk met hun eigen devotie. Je gaat zitten in de bank met de absurde gedachte: dit kan niet. Een kerk als deze kan niet zomaar achter houten deur verborgen zijn. Met trillende handen haal je het toeristenkaartje uit je jaszak en het kan wel, natuurlijk. Sant Agostino.
Na twintig minuten verwondering weer naar buiten, voor het eerst sinds mijn verblijf besef je pas dat deze stad nergens ophoudt. Niet bij het plein waarvan de monumentale open ruimte me pakt: Piazza de Popolo en niet bij Villa Borghese erachter.
Er zijn geen gaten in Rome. Niet in de tram die vol zit met karakteristieke koppen, niet bij de verleidelijke bochten van de rivier de Tevere; niet bij het stadion van wereldclub Lazio Roma achter de brede witte brug, niet ernaast bij het Olymisch stadion door Mussolini gebouwd en niet tweehonderd meter verder waar de Romeinse keizer Constantijn meer dan 1600 jaar geleden zijn beslissende slag heeft gewonnen bij de Ponte Milvi.
Deze stad waar je midden in het centrum op verschillende plaatsen onduidelijke brokken oude steen tegenkomt. Met alleen verklarende teksten op een ijzeren standaard als: hier hebben de gladiatoren getraind. Waar je weet dat Marcus Antonius op deze vierkante meter heeft gestaan om het volk toe te spreken na de moord op Caesar.
Dit is de stad van de apostel Petrus die hier is gekruisigd en wiens botten onder de St. Pieter liggen begraven en tegelijk is dit de stad van de man die in de bus tien minuten lang een onbegrijpelijke monoloog tegen je vertelt over ‘communisti, fascisti, journalisti’ en van het meisje dicht naast je dat haar jas open ritst in december.
V
Zaterdag, kerstavond. Nog voel ik mijn zweet en het kloppende hart. Een uur geleden belde de Nederlandse zuster C. op mijn kamer. De zusters van het moederhuis kwamen zingen voor de gasten van Maria Villa Regina, ze vroeg of ik naar beneden kwam. Ik heb het niet zo begrepen op zingende zusters. Dergelijke zoetigheid heeft de neiging tussen mijn schouders te kruipen.
Achter de balie beneden zaten drie wachtende zusters die over dit gastgedeelte van het klooster waken, met voor zich op de televisie een aflevering van Charlie, een Duitse serie over een aapje. Een vierde zuster drentelde onrustig rond bij de deur.
Ik stelde me verdekt op, zoals ik altijd doe tijdens gezelschapsactiviteiten, dichtbij de verlichte kerstboom. Na een kwartier kwamen de zusters, veertig in getal, binnen door de deur. Het waren Koreaansen, Indonesischen, Duitsen, Amerikaansen en nog een Nederlandse.
Tot mijn panische schrik zag ik dat ze een boog maakten die zich geheel op mij richtte en de zusters achter de balie links liet liggen. Ze begonnen te zingen, terwijl naast me hun leidster mij glimlachend bleef aankijken. Na het eerste liedje zei ze tegen me: ‘Suprise. I think you were called downstairs, but anyhow – surprise.’ Mijn handen werden vochtig bij de gedachte dat ik nu zelfs niet meer kon fantaseren dat dit ook nog voor iemand anders was bestemd.
De Amerikaanse reikte me het tekstboekje aan om Stille nacht Heilige Nacht te zingen in verschillende talen, waaronder een Nederlandse couplet. Mijn maag kromp in elkaar, mijn hart begon te bonzen, de knieën knikten en weet ik veel wat nog meer – ik kan niet zingen. Bij het Nederlandse couplet heb ik alleen wat gemurmeld. ‘HeimmmmmStillehmmm.’ Na afloop heb ik heel erg gelukkig gelachen naar het gezelschap en eenzaam applausje gegeven.
Nu zit ik weer op mijn kamer, alleen dus in dit kolossale gebouw. ‘Coldplay’ klinkt op mijn koptelefoon om een beetje tot rust te komen. Het was mooi – achteraf gezien dan.